Freyr: Fauna en Flora

Cécile HANKENNE

De boomklever – Sitta europea
De boomklever is gemakkelijk te herkennen aan zijn zwarte oogstreep en vrij lange, spitse snavel. Blauwgrijs van boven en oranjeroze van onderen. Luidkeels schreeuwt hij herhaaldelijk een soort sonore “tuit”. De boomklever is een geboren klimmer die zich in alle richtingen langs boomstammen en takken kan bewegen, zelfs ondersteboven! Hij is dol op hazelnoten. Hij klemt
ze in de spleten van de schors van boom om ze dan met zijn snavel te openen. Hij zoekt bestaande holtes op in oude bomen om in te nestelen en metst deze dan toe tot de gewenste grootte

.

De Tjiftjaf – Phylloscopus collybita
Deze kleine zangvogel, die minder dan 10 gram weegt, is onopvallend in de vegetatie maar zijn lied is zeer gemakkelijk te herkennen. Het karakteristieke, zich steeds herhalende liedje “tjif-tjaf, tjiftjaf” bezorgde hem meteen ook zijn naam. Het is een
typische insecteneter, altijd in beweging en bezig met het inspecteren van de takken en bladeren op zoek naar zijn prooi: larven, bladluizen, rupsen en kleine insecten. Hij bouwt een nest in de vorm van een bal , goed verborgen onder een plukje gras of in het bladafval. Elke herfst vertrekt hij om verder zuidwaarts te overwinteren…

Muurhagedis – Podarcis muralis
De muurhagedis is present op onze rotsen zodra de temperaturen in voorjaar beginnen te stijgen. Hij is vrij gemakkelijk te observeren op zonnige dagen, want hij is nieuwsgierig en niet bang. Hij houdt van rotsachtige habitats en is de beste klimmer onder de hagedissen! In de lente kan men mannetjes elkaar zien achtervolgen en vechten. Eind mei legt het vrouwtje 2 tot 10 eieren in een hol in de grond of onder een rots. De jongen komen uit in juli. De muurhagedis voedt zich met spinnen, wormen en insecten. Om aan roofdieren te ontsnappen is hij in staat tot autotomie: hij kan zijn staart laten afbreken waardoor hij kan wegvluchten om zich te verbergen! Dit trucje werkt echter
maar één enkele keer.

Slechtvalk – Falco peregrinus
De slechtvalk is herkenbaar aan zijn zwarte kop en typische ‘snor’ waardoor hij de indruk wekt een helm te dragen. Het is een ware rotsvogel die kliffen gebruikt om te nestelen en als uitkijkpost om te jagen. Hij kan een duif tot op een afstand van 6 km zien. Valken bouwen niet echt nesten: zij leggen hun eieren op de grond op een richel of in een hol. Het man- netje en het vrouwtje broeden de eieren uit en delen de opvoeding van hun jongen. Het vrouwtje is groter dan het mannetje en vangt dan ook grotere prooien. Het menu bestaat uitsluitend uit andere vogels. De slechtvalk is opmerkelijk vanwege zijn vliegcapa- citeiten: tijdens de jacht maakt hij duikvluchten die snelheden van 150 tot 250 km/u bereiken. De prooi is meestal onmiddelijk gedood vanwege de kracht van de inslag.

De Oehoe – Bubo bubo
De oehoe houdt van rotspartijen en steile wanden. Op brede richels, tussen grote rotsblokken en in grote spleten en in nissen zoekt hij beschutting en nestplek. Paren zijn samen voor het leven en reeds aan het eind van de winter begint het vrouwtje te broeden. De ouders zorgen voor hun jongen tot september-november! De oehoe is een opportunistische veelvraat. Van kevers tot hertenkalfjes verorbert hij al wat beweegt. Met een kop-staart lengte van 75cm en met een spanwijdte tot 188cm is dit de grootste nachtroofvogel van Europa.


Tongvaren – Asplenium scolopendrium
De tongvaren maakt deel uit van de varenfamilie. Varens verschenen voor het
eerst zo’n 345 miljoen jaar geleden, in het Carboon. Ze vertonen bloemen noch zaden maar planten zich voort door sporen, een beetje zoals paddestoelen. De sori (die de sporen produceren) van de tongvaren zijn overduidelijk zichtbaar op de achterkant van de bladeren. De bladeren zijn lang en smal en hebben de vorm van een lint, van een tong. Tongvarens houden van schaduwrijke en vochtige plaatsen en zijn vooral te vinden in hellingbossen en ravijnen, op kalkhoudende grond. Hij komt vaak voor onder essen en esdoorns.

Gewone es of hoge es – Fraxinus excelsior
De gewone es is in de winter te herkennen aan zijn grote, zwartfluwele knoppen. Het is een grote boom die in 20 jaar tot 10 m kan bereiken. De samengestelde baderen hebben elk 7 tot 15 getande blaadjes. Hij komt vaak voor in de buurt van water, in de koelte en op kalkhoudende grond. Het is een metgezel van eik, beuk en zwarte els. De paardenwesp zorgt voor heel wat schade door de schors te doorboren om zich
met het sap van de es te voeden. De laatse jaren is hij talrijk aangetast door een schimmel die uitdroging veroorzaakt. Ooit dacht men dat de es slangen zou afweren en dat de nabijheid ervan goed zou zijn voor de genezing van impotente mensen!